Krabbel -
Je bent niet ingelogged, om een krabbel achter te laten moet je eerst inloggen op Dizzie.nl.
Hahaha, leuke blog! Aan de ene kant herkenbaar. Ik schrijf altijd als ik iets zeker weet. Maar ja, soms veranderd er zelfs iets in een paar maanden tijd. Mijn volgende boek speelt in Amsterdam. Daar ben ik geboren en getogen en het verhaal speelt zich in de buurt van mijn jeugd. Checken dus, want inmiddels ben ik mijn kinder- en tienerjaren allang ontgroeid. Ik heb er lang rondgelopen, verbaasd over zoveel veranderingen. Niet erg. Nu ik wist hoe het was, kon ik het verwerken. Nu ben ik halverwege het boek, kwam per toeval weer even in de wijk waar het zich allemaal afspeelt en woppa... weer dingen veranderd. In enkele weken tijd. Ik moest er zelfs nog iets voor omgooien in het verhaal.
Maar mocht het achteraf allemaal niet meer kloppen, ach, het blijft allemaal fictief, nietwaar?
Ben benieuwd naar Nacht in Parijs. Binnenkort haal ik hem op in de boekhandel!
Groet,
Linda
Bijna april! Bijna nacht in Parijs! Als je van de zon al niet vrolijk zou worden (die hier al dagen zijn stralen strooit) dan word ik het wel van het feit dat jouw boek er toch écht aan zit te komen! See you on Twitter...;-)
Hallo Michael,
Goed nieuws dat je nieuwe boek in april 2012 uitkomt! Ik kreeg er al een beetje honger naar.
Ik heb ze nu allemaal en pas nu ontdekt mijn vriend je boeken, maar....wel enthousiast.
Ik kijk uit naar april.
Fijne feestdagen gewenst!!
gtz Annette
Blog
Op locatie
12-04-2012 om 12:58:50Er zijn schrijvers die voor ze beginnen te schrijven eerst alle locaties willen kennen. Er wordt gelezen, gereisd, gefotografeerd, gefilmd en er worden stapels aantekeningen en plattegrondjes gemaakt. Ongeduldig als ik ben, pak ik het anders aan. Eerst schrijven, dan checken. Natuurlijk, veel van de locaties die ik beschrijf heb ik ooit wel eens bezocht of ik heb ze zo vaak op televisie gezien dat ik het gevoel heb dat ik er geweest ben. Maar een mens kan niet overal zijn geweest. Als ik bijvoorbeeld een delicatessenzaak nodig heb in de Parijse wijk de Marais ben ik overvraagd. Dan zoek ik eerst op internet of er een is en, zo ja, dan moet de vraag worden beantwoord of er per se een bestaande delicatessenzaak in het boek terecht moet komen. Is dat belangrijk? Soms wel, soms niet. Een schrijver is geen journalist. Hij heeft de vrijheid om te fantaseren. ‘Dit is een roman,’ staat er aan het begin van menig boek. En dat staat er niet zomaar.
Ook voor mijn nieuwste boek ‘Nacht in Parijs’ geldt: sommige dingen zijn gebaseerd op de werkelijkheid, andere dingen zijn uit de duim gezogen. Het mooiste is als de lezer geen verschil ontdekt. Een open plek in een bos met op de achtergrond een kabbelend beekje, een veldweg met zonnebloemen, een kamer in een smerig pension. Bestaan die locaties echt? Voor mij wel. Nauwer luistert het wanneer je gaat goochelen met straatnamen. Neem bijvoorbeeld een actiescène die zich afspeelt op een bekende Parijse boulevard. Dan moet alles kloppen. Hoe rijdt het verkeer, is er een aparte busbaan, hoe is de kwaliteit van het asfalt, wat zijn de obstakels, hoe hoog is de stoeprand, waar kun je plotseling afslaan en waar kom je dan terecht?
In ‘Nacht in Parijs’ speelt zich ook een scène af in Amsterdam. Een man zoekt een hotelletje in de rosse buurt. Hij loopt door allerlei steegjes en belandt uiteindelijk op een niet nader bij naam genoemde gracht waar hij, voor hij zijn intrek neemt in een hotel, oog in oog staat met prostitué op zekere leeftijd. Tot zover de scène. Ik schreef het in één keer op. Ik ken de stad op mijn duimpje, heb er bijna twintig jaar gewoond. Geen probleem. Dacht ik.
Half maart was ik in Amsterdam. Op weg naar het station kwam ik op de Gelderse kade terecht. Terwijl ik daar liep, realiseerde ik me dat dit de gracht was waar mijn romanfiguur een hotel betrok. Ik keek om heen. Hotels genoeg, maar waar waren de hoeren? Even sloeg me de paniek me om het hart. Dat de gemeente de wijk probeerde schoon te vegen was me bekend, maar ik had nooit beseft dat ze zo tekeer waren gegaan. Over een week lag mijn boek bij de drukker. Straks stond er iets in dat niet klopte. Stop de persen, schoot er door mijn hoofd. Ondanks de gure wind kreeg ik het opeens erg warm. Wat kon ik doen? Doorlopen. Vijftig meter verder lachte het geluk me toe. Een roodverlicht raam met twee prostitués. En ook nog ‘op zekere leeftijd’. Ik knikte de dames vriendelijk toe. Even had ik de neiging mijn duim op te steken. Terwijl een van de twee mij haar weelderige borsten toonde, zette ik er gauw de pas in. Een beetje gegeneerd, maar vooral opgelucht.
Spitten
02-04-2012 om 17:31:57Schrijven en tuinieren gaat prima samen. Schrijven wanneer er geschreven moet worden en tuinieren wanneer het verhaal nog zoveel kanten uitschiet dat het beter is om nog even te wachten. Momenteel tuinier ik en denk na. Ondertussen wordt de moestuin omgespit. Ouderwets met de hand. Meter voor meter om de rug zoveel mogelijk te sparen. Als vanzelf gaan mijn gedachten naar mijn opa. Een grote, brede man. Ik zie hem staan, leunend op zijn schop. Een markante zongebruinde kop. Als hij tegen de zon in keek en even geen pijp in zijn mond had, leek hij op Marlon Brando in The Godfather. Daarmee hield de vergelijking onmiddellijk op. Mijn opa was een lieve man die geen vlieg kwaad deed. Bescheiden, verlegen, en zelfs een beetje bang. Ik geloof niet dat hij ooit in het buitenland is geweest. Te ver, te vreemd. Toen ik in Amsterdam studeerde, kwam hij me een keer opzoeken. Niet om de stad te zien, maar omdat hij net zo’n Stetson-hoed wilde als ik droeg. Na een bezoek aan de firma Meddens en een haastige kop koffie bij de Bijenkorf nam hij ijlings de trein terug naar huis, naar Limburg.
Mijn opa werkte als verbandmeester op de Oranje Nassau IV, een van de staatsmijnen in Zuid-Limburg. Als een soort chef Eerste Hulp hield hij zitting in een schoongeboende betegelde ruimte die rook naar lysoform. Na de ‘schicht’ kwamen de gewonde mijnwerkers langs om verbonden te worden. Ik herinner mij het contrast tussen de beroete mijnwerkers en de smetteloos wit gesteven jas van mijn opa. Als er een ernstig ongeluk gebeurde, moest hij de ‘koel’ in om op honderden meters diepte eerste hulp te verlenen. Gebeurtenissen waar hij liever niet over sprak.
Hij woonde op de Heksenberg, een typische mijnkolonie aan de rand van Heerlen. Als verbandmeester had hij recht op een hoekwoning met een extra brede tuin die voor meer dan helft als moestuin werd gebruikt. Tegen de meidoornhaag stond de duiventil. Ik herinner mij de kaarsrechte paden tussen de groentebedden. Bonen, prei, wortels, aardappels, kruisbessen en aalbessen waren als een liniaal geplant. Los geschoffelde aarde zonder ook maar een sprietje onkruid – heel anders dan bij ons. Tegenover het huis liep de spoorbaan waar mijn opa een groter terrein had waar hij nog meer groente verbouwde. Alles even piekfijn onderhouden. Een kwestie van trots. Ook wie het niet breed had, hoefde dat nog niet te tonen. De oogst hielp het gezin de winter door. De aardappels in de kelder, de bonen in eindeloze rijen weckflessen met rode rubbertjes en metalen sluitingen.
Zijn kinderen moesten een vak leren, een écht vak, zeker de jongens. Wie niet leerde, kwam in de mijn terecht en was zijn leven niet zeker. Leren dus. Of een goede partij aan de haak slaan, zodat er later genoeg geld was om in een winkel groente te kunnen kopen en niet langer te hoeven zwoegen in de moestuin.
Terwijl ik mij langzaam door de Franse aarde werk, voel ik mijn opa over mijn schouder meekijken. Ach jongen toch, hoor ik hem mompelen. Wat een armoede.
Warm genoeg?
01-02-2012 om 10:03:33Kunnen dingen een leven veranderen ? Ja, dat kan. In mijn geval was het een kachel. Niet zomaar een kachel. We hebben het hier wel over de Morsø 1126, de Rolls Royce onder de houtkachels, de crème de la crème onder de allesbranders, een loodzwaar gietijzeren wonder van design vervaardigd door de Koninklijke Deense Kachelfabrikant Morsø. Een van de meest economische kachels ter wereld. Met een beetje hout krijg je een huis van honderdvijftig vierkante meter in een mum van tijd warm. Precies wat we zochten.
Het was de winter van 2003 - 2004. Onze Franse boerderij die tot nu toe dienst had gedaan als vakantiewoning zou ons domicilie worden. Weg uit Nederland. Verhuizen. Mijn vrouw was daar heel stellig in. Ik stribbelde nog een beetje tegen. Ik had een goed betaalde baan en de verantwoordelijkheid voor een radiostation met een hoop medewerkers die ik niet alleen kon laten. Natuurlijk bleef ik dit werk niet tot de rest van mijn leven doen, maar konden we de verhuizing niet nog een jaartje of een, twee uitstellen zodat ik mijn pensioen nog een beetje kon aanvullen? Nee, zei mijn vrouw. Het was nu of nooit. Wilde ik niet de tijd hebben om eindelijk een boek schrijven? Ja? Nou, dan is dit je kans. Maar de winters dan? wierp ik tegen. Onze boerderij ligt op 500 meter hoogte. Januari en februari in Midden-Frankrijk kunnen gemeen koud zijn. Het oeroude Rosières houtfornuis dat de vorige bewoner had achtergelaten kierde aan alle kanten, waardoor kostbare warmte verloren ging. Ik herinnerde me een kerst waarin het in de slaapkamer bijna vroor en de temperatuur in de keuken niet boven de twaalf graden wilde uitkomen. Ik stelde me voor hoe ik met verkleumde vingers een boek probeerde te schrijven. Als we hier echt gingen wonen, moest er wel een super-kachel komen waardoor we de winters zouden kunnen overleven. De Morsø 1126 dus. Mijn vrouw en ik maakten een serieuze afspraak met elkaar. Als de Morsø het huis kon opwarmen, zou ik mijn baan opgeven en zouden we verhuizen.
En zo togen wij die winter voor een allesbeslissende vakantie van drie weken naar Frankrijk om ons meteen, op de eerste dag, te melden bij de kachelspecialist in het dichtstbijzijnde stadje. Of hij ook de Morsø 1126 kon leveren? Natuurlijk, antwoordde de man alsof niets vanzelfsprekender was. Het magazijn in Parijs en Lyon had het model op voorraad. Over een paar dagen kwam er een vrachtauto onze kant op en zou de kachel worden geïnstalleerd. Even geduld dus.
De eerste week van de vakantie ging voorbij zonder nieuws van het kachelfront. In de tweede week begon mijn vrouw subtiele druk uit te oefenen op de leverancier. Waar bleef onze Morsø 1126? Was de chauffeur van de vrachtauto soms ergens de weg kwijtgeraakt? De kachelspecialist verzekerde ons dat alles goed zou komen. Mijn vrouw was er niet gerust op. De laatste week van onze vakantie brak aan. Het was koud. Geen vrieskou, maar aangenaam was anders. Het Rosières-houtfornuis kierde ouderwets. In de keuken was het rond de zestien graden. In de andere vertrekken nogminder. Demonstratief liep ik met drie truien rond en liet niet na te benadrukken dat het ‘best fris’ was. Mijn vrouw zei niets, maar broedde in stilte op de volgende stap. Ik zag haar denken. Straks zouden we afreizen zonder ultieme Morsø-proef, mij de gelegenheid gevend om de verhuizing naar Frankrijk weer een jaartje uitte stellen. De volgende dag bezochten we de kachelspecialist. Vastbesloten nam mijn vrouw de regie in handen. Eén telefoontje later wist ze waar in Frankrijk onze Morsø 1126 was gestrand. Vervolgens werd het transport geregeld. Daarna ging er weer van alles mis, maar twee dagen voor vertrek kregen we het verlossende bericht dat de kachel was gearriveerd. En nu installeren, gebood mijn vrouw. De kachelspecialist begon over zijn zwakke rug en over zieke medewerkers, maar dat het maandag vast zou lukken. Niks maandag, riep mijn vrouw. Nu. Er werd een compromis gesloten. Zaterdag.
Die dag verschenen er twee mannetjes die het Rosières-fornuis dat we daags daarvoor hadden laten uitbranden weghaalden en vervolgens de Morsø 1126 installeerden. De temperatuur in de keuken was inmiddels gedaald tot een graad of acht. Terwijl de mannetjes na hun installatieklus aan de pastis gingen, was mijn vrouw al druk in de weer met hout en krantenpapier. Langzaam stoken, riep een van de mannetjes nog. Als de kachel te snel te warm wordt, kan het binnenwerk scheuren en dat valt niet binnen de garantie. Leest u de voorwaarden er maar op na. De waarschuwing was gericht tegen dovenmansoren. De mannetjes hadden hun kont nog niet gekeerd, of mijn vrouw begon pas echt goed te stoken. De luchttoevoerventielen helemaal open. Met ieder uur steeg de temperatuur een graadje. Tegen de avond – de Morsø 1126 brulde – was het in de keuken drieëntwintig graden en in de belendende salon zelfs boven de twintig. Zo warm genoeg? informeerde ze fijntjes. Ik kon niet anders dan ja knikken terwijl ik ondertussen met een schuin oog de kachel in de gaten hield die ieder moment kon exploderen. Mijn drie truien had ik inmiddels uitgetrokken. Zelfs mijn rode wijn begon al aardig lauw te worden. Er was geen weg terug. Afspraak is afspraak. We gingen verhuizen.
Zodra we in Nederland waren, deden we ons huis in de verkoop. Een paar weken later (goede oude tijden!) was het verkocht. Ik zei mijn baan op. Die zomer verhuisden we naar Frankrijk. Inmiddels beleven we hier onze zevende winter. De Morsø 1126 brandt nog steeds. Als een tierelier.
Opruimen
23-12-2011 om 10:44:32Een diepe zucht. Een nieuw boek voltooid. (‘Nacht in Parijs’, publicatie april 2012.) Nadat de definitieve versie per mail naar de uitgever gestuurd is, realiseer ik me pas hoeveel rommel zich de afgelopen maanden in mijn werkkamer heeft opgestapeld. Briefjes, blaadjes, vellen vol aantekeningen, uitgeprinte eerdere versies van het manuscript met opmerkingen van de uitgever en proeflezers, notities met personages, hun leeftijd, uiterlijk en andere bijzonderheden. Tegen de boekenkast is een A-viertje vastgeplakt met goede voornemens. Een jaar geleden, toen ik aan het boek begon, heb ik het daar opgehangen. Ik citeer: korte tijdspanne, meteen spanning, meteen een lijk, maatschappelijk relevant. En zo staat er nog het een en ander. Geweldige uitgangspunten, maar nooit meer naar gekeken. Het A-viertje belandt in de vuilniszak. Net zoals de tientallen briefjes waarop ik iets heel belangrijks had genoteerd, om er vervolgens niet meer na te kijken. Of om het briefje kwijt te raken. Ik vind een verloren gewaande notitie over een van de locaties, aantekeningen naar aanleiding van een bezoek aan Parijs. Wat een chaos, wat een rommel. Hoe kan een mens hier werken? Laat staan een boek schrijven. Het antwoord is eenvoudig. Dankzij de computer . Door dit geweldige apparaat belandt alles uiteindelijk in één overzichtelijk document. En goddank is er ook nog zoiets als internet waardoor de meeste vragen die tijdens het schrijven opdoemen binnen een paar tellen te beantwoorden zijn. Voor de meer specifieke vragen heb ik mijn specialisten. Hun telefoonnummers staan op briefjes die ik apart bewaard heb om ze niet kwijt te raken.
Terwijl ik opruim en de papierberg langzaam slinkt, vraag ik me af hoe schrijvers dat vroeger deden. Zonder computer, zonder internet. Reizen, lezen, onthouden. Véél onthouden. En eerst zorgvuldig formuleren voor iets aan het papier werd toevertrouwd. Woorden, zinnen, pagina’s, hoofdstukken. Met de hand of met de schrijfmachine. Hoe langer je daarover nadenkt, hoe ongelooflijker het wordt. Knap. Nee, indrukwekkend knap. Wat dat betreft ben ik een kind van de knip-en-plakgeneratie, een chaoot die zonder computer nooit een boek zou kunnen schrijven.
Ik knoop de vuilniszak dicht. De vloerbedekking is weer zichtbaar. Stofzuigen!
Gevloerd
17-12-2011 om 09:36:52Laat je zien en geniet, ook als je verliest. Dat was het advies dat een goede vriendin mij meegaf op weg naar Antwerpen waar ik genomineerd was voor De Diamanten Kogel 2011. Wat betreft het genieten zat het vanaf de eerste minuut snor. De organisatie had een buitengewoon elegant programma bedacht waarbij iedere genomineerde als een winnaar werd behandeld. Om vier uur vond de ontvangst plaats in een café vlak bij het stadhuis. Er moesten boeken worden gesigneerd voor de sponsoren. Een sneltekenaar maakte van iedereen een portret dat later, ingelijst en wel, zou worden uitgereikt. Er waren drankjes en ondertussen maakte iedereen met iedereen kennis. Om zes uur verhuisden we naar het stadhuis, naar de trouwzaal, waar we luisterden naar ronkende toespraken van prominente Vlamingen en waar alle genomineerden (zie foto), een voor een, in het zonnetje werden gezet. Behalve het portret kreeg iedereen twee tassen vol boeken. Natuurlijk kon er maar één de echte winnaar zijn. Elvin Post (nogmaals proficiat!) ontving een kostbaar kunstwerk en werd bedolven onder het flitslicht van de fotografen. Daarna was er in een andere fraaie zaal van het stadhuis champagne, waarna de organisatie tachtig personen ook nog een diner aanbood. Ik zou zeggen: laat het organiseren van literaire prijzen maar aan de Vlamingen over.
Tegen middernacht had bijna iedereen het restaurant verlaten en bleven we met een groepje achter. Ik had een hotel in de stad genomen en zag geen enkele aanleiding om vroeg naar bed te gaan. En zo trokken we Antwerpen in, om uiteindelijk, in een nog kleiner gezelschap, in café Palliter te belanden. Op de vensterbank zat een man die in slaap was gesukkeld en de tassen die ik die avond meesleepte, langzaam dreigde te pletten. Ik schrijf dit om duidelijk te maken dat er met mijn waarnemingsvermogen niks mis was en ik alles om me heen haarfijn registreerde. Toen ik bang was dat hij de lijst van het portret zou breken, schoot een van mijn metgezellen te hulp en gebaarde de man dat hij beter op de grond kon gaan zitten om daar verder te slapen. En zo geschiedde, waarna wij drieën (de onvermoeibare juryvoorzitter, een jurylid, en ik) nog een glas bestelden. Op de klok zag ik dat het tegen drieën liep. Ik voelde me uitstekend. Hiervoor was ik van Frankrijk naar Antwerpen gereisd, om oude vrienden en bekenden te treffen en nieuwe mensen te leren kennen. We toastten. Na dit glas was het mooi geweest en ging ik mijn hotel opzoeken, nam ik me voor. Kan iemand misschien een taxi bellen, vroeg ik. Een paar seconden later voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken en voelde ik niets meer, behalve een prettig soort lichtheid. Even later vond ik mezelf terug, zittend op de granitovloer van het café. Hij bloedt. Kijk dan. Zijn hoofd ligt open. Er moet een ambulance komen. Langzaam drong het tot me door dat ik het onderwerp van de paniek was. Flauw gevallen, black-out, in ieder geval was het behoorlijk gênant. Voor de eerste keer in mijn leven genomineerd voor een prijs en meteen plat gaan. Na jaren op het Franse platteland braaf achter de computer te hebben gezeten was ik kennelijk niets meer gewend. Voor ik het in de gaten had werd ik door een ambulancemedewerker overeind geholpen en naar een klaarstaande ziekenauto gebracht. Mijn tassen, riep ik nog, en het portret. Het jurylid bracht alles naar de ambulance. De juryvoorzitter keek vooral zorgelijk. Ik zat op een brancard en staarde naar buiten. Ik wilde nog iets vrolijks roepen. Tot volgend jaar. Of: Ik kom terug. Eerlijk gezegd vond ik de situatie vooral pijnlijk en dus mompelde ik iets van ‘sorry’. De achterdeur van de ambulance werd dichtgegooid. Op de eerste hulp boog een arts zich over de hoofdwond en bracht de hechtingen aan. Een uurtje later mocht ik mijn hotel opzoeken. Terwijl ik dit een week later schrijf duizelt het nog een beetje. Gevloerd in Antwerpen. Laat je zien en geniet. Zo letterlijk hoefde het nou ook weer niet.

Gefeliciteerd met de 4 sterren in de volkskrant