Van Tommy Wieringa
Website:www.tommywieringa.nl
Romans
276 pagina's
Pontus Beg is commissaris van politie in Michailopol, een perifere grensstad in de steppe. Als de winter invalt, wordt er een groep uitgeteerde vluchtelingen gesignaleerd in de straten van zijn stad. Niemand weet wie zij zijn, hun spookachtige aanwezigheid veroorzaakt angst en onrust. Als ze uiteindelijk worden opgepakt, wordt in hun bagage het bewijsstuk van een gruwelijke misdaad gevonden. Stukje bij beetje ontrafelt Pontus Beg de toedracht, en daarmee de geschiedenis van hun helletocht. De barre reis van de migranten raakt gaandeweg het onderzoek verweven met de ontdekking die Pontus Beg doet over zijn eigen afkomst. De ontmoeting met een oude rabbijn, de laatste Jood van Michailopol, leert hem de werkelijkheid kennen over zichzelf. Zijn plaats in de wereld is een andere dan hij altijd heeft gedacht. Dit zijn de namen is een waar kunststuk: Tommy Wieringa weet de duistere binnenwereld van de mens met humor en wijsheid te verbinden aan de grotere thematiek van immigratie, de vraag naar wie wij zijn, en of verlossing mogelijk is.
Uitgever: De Bezige BijISBN: 9789023472698
Toegevoegd door Lodewijk
4,00 / 5 stemmen
Hiermee opent Tommy Wieringa zijn nieuwste roman Dit zijn de namen. Een verhaal over de 53-jarige politiecommissaris Pontus Beg en over een groep mensen die - opgelicht door mensensmokkelaars – over de steppe zwerft, op zoek naar een beter leven.
De hoofdstukken gaan afwisselend over Beg en de zwervers, en ze komen steeds dichter bij elkaar. Tot de zwervers uiteindelijk aankomen in de (fictieve) Oekraïense grensstad Michailopol, Beg’s domein.
De bewoners van Michailpol schrikken zich een ongeluk van de vreemdelingen, ze denken dat het de doden zijn, opgestaan uit hun graf:
Huid, strak aangesnoerd rond hun gebeente, gemummificeerd bijna. Zwarte oogkassen. […] De onaanraakbaren […] pestlijders […] In de collectieve verbeelding marcheerden de legers van de ondoden door de bevroren straten van Michailopol. Ze werden aangestaard en nagekeken, en niemand die ze durfde aan te spreken.
De zwervers zijn tijdens hun helletocht uitgehongerd geraakt, en vervreemd van de wereld. Ze ontwikkelden onderweg een soort eigen cultuur, noem het religie, waarvoor ze als relikwie een afgehakt hoofd van een neger bij zich hebben. Hij was een van hen, maar is onderweg vermoord.
De parallellen met de exodus uit het Oude Testament zijn niet moeilijk te herkennen.
Aan Pontus Beg de schone taak de stad te zuiveren van deze ongewenste vreemdelingen, en de moord op de neger op te lossen. Beg is echter meer bezig met zichzelf, hij is geïnteresseerd in het joodse geloof en raakt er steeds meer van overtuigd dat hij zelf van joodse afkomst is.
Pontus Beg doet je aan de Zweedse politieman Kurt Wallander denken, het hoofdpersonage van de tiendelige reeks geschreven door Henning Mankell. Beide hoofdpersonen zijn melancholisch gestemd, weemoedig, wat zwaar op de hand en soms behoorlijk cynisch. De setting van de verhalen vertoont eveneens veel gelijkenis. Grijsgrauwe steden, ondergedompeld in somber weer, koud en veel regen of sneeuw. Zowel Mankell als Wieringa zijn sterren in het schetsen van een sfeer.
Wieringa brak in 2005 nationaal en internationaal door met het avontuurlijke Joe Speedboot, een fantasievol boek, gekenmerkt door ijzersterk taalgebruik. Hierna volgde Ceasarion, totaal anders – want zwaar op de hand – maar weer met een zeer eigen karakter. Ook Dit zijn de namen is een fraai geschreven, origineel boek. Het niveau van Joe Speedboot wordt net niet gehaald, omdat het iets minder aan de fantasie van de lezer overlaat, maar het behoort zeker op de plank bij iedereen die een zwak heeft voor een goed geschreven verhaal.

Het boek bevat twee verhaallijnen, die uiteindelijk bij elkaar komen. De ene verhaallijn draait om Pontus Beg, een eenzame en sombere politiecommissaris die melancholiek zijn troosteloos leven bepeinst in de gure en grijze stad Michailopol, gelegen in de Oekraiense steppen. Een bijna uitvergrote versie van troosteloze speurders als Wallander of Erlendur: eenzaam, over de vijftig, vol melancholische gedachten over al het vuil van de wereld dat hij als commissaris dagelijks ziet. Pontus Beg zoekt eerst vertroosting in Chinese wijsgeren, maar vindt al die Taoistische onthechting uiteindelijk niet bevredigend; later ontdekt hij zijn eigen Joodse 'roots' en verdiept zich, samen met de enig overgebleven Rabbijn in Michailopol, op wijfelende en tastende wijze in het Joodse geloof. De andere verhaallijn draait om vluchtelingen die verdwaald zijn in de Oekraiense steppe, in een vergeefse poging de grens over te steken en het beloofde land te bereiken. De meesten sterven, de anderen worden geteisterd door ziekte, wanhoop, honger, ontbering, hallucinatie, angst, totaal lichamelijk en geestelijk verval. Dat levert dan beschrijvingen op als: "Het lijk is tot een gemarmerd paarsblauw verkleurd, de huid komt al los van het skelet. Zijn lippen zijn weggevreten. Obsceen grijnst hij naar de uitdrukkingsloze hemel". Sterk beeld, vind ik: een doodsgrijns zonder lippen naar een hemel die uitdrukkingsloos terugkijkt. Naar een hemel zonder God, kortom. De vluchtelingen zijn dus totaal verloren: er is geen God, er is niet zoiets als 'het beloofde land', want er is alleen de eindeloze leegte van de steppe.
Toch, juist op de bodem van die wanhoop en verlatenheid groeit een soort geloof. Dat onstaat dan door moord op een zondebok (een 'vreemde' die voor alle tegenslag verantwoordelijk gehouden wordt) die dan later, op grond van droom en misverstand en hallucinatoire ingevingen, als God wordt vereerd. Bizar, inderdaad. Maar ja, volgens Freud in "totem en taboe" zijn godsdiensten allemaal gegrondvest op een oermisdaad: de moord op de vader van de oerhorde, een vader die dan vervolgens tot God wordt vereerd en een moord die voortleeft in rituele verhalen zoals b.v. de offerdood van Christus. Pontus Beg denkt niet aan deze 'oermoord', maar wel aan een andere overeenkomst: het oudtestamentische verhaal van de Joden die eeuwen dwaalden door de woestijn voordat een aantal van hen het 'beloofde land' bereikten. Ook de 'moderne' Joodse gelovige, leert Beg dan van de rabbijn, beschouwt zich nog als dwalende in de woestijn. En bovendien beseft die ook dat het 'beloofde land' wel bestaat maar niet voor iedereen: Mozes bijvoorbeeld bereikte het nooit, en Jozef werd er vele jaren na zijn dood begraven maar heeft het dus nooit gezien. De vluchtelingen in de steppe nu lijken wel een extreme versie te vertegenwoordigen van het 'Joodse' lot: ook zij dwaalden eindeloos, een aantal van hen wordt 'gered', maar het beloofde land bereiken zij niet omdat het voor hen niet BESTAAT. En toch kunnen zij het geloof daarin niet missen, want dan waren zij HELEMAAL verloren.
Geloof op de rand van de afgrond dus, vol twijfel en wanhoop, als onzeker weermiddel tegen de leegte. Of als wankele maar onmisbare illusie. Dat is volgens mij het kernthema van dit boek. Daarnaast zitten er nog allerlei andere thema's en motieven in: angst voor het vreemde, de vluchtelingenproblematiek, de verrotting van het moderne leven, de onttakelde toestand van de Sovjet-Unie nadat hij in allerlei deelrepublieken uiteen viel. Een meesterwerk vond ik het boek niet, want het had net wat te veel al te abstracte of zelfs ronduit saaie passages. Bovendien vond ik de filosofische diepgang ervan nou ook weer niet heel verpletterend: de geciteerde Chinese en Joodse wijsheden vond ik bijvoorbeeld niet altijd heel erg superpregnant. Maar vooral het kernthema beviel mij wel, en ik vond het ook mooi uitgewerkt. Dus ben ik wel weer blij dat ik dit boek gelezen heb, en mischien moet ik toch ook eens andere Wieringaatjes gaan proberen.

Beide zoektochten worden plastisch beschreven: Wieringa is een meester in het oproepen van beelden. Beide verhaallijnen, hoe rauw ook, roepen een bijna mystieke sfeer op. Uiteindelijk komt Pontus in aanraking met de vluchtelingen die de gruwelijke tocht hebben overleefd.
'Dit zijn de namen' is een verhaal over liefde en haat, over de vraag waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Daarmee krijgt het een universele betekenis. Een geweldig boek, mag je zeker niet missen!

Wieringa komt weer met een heel ander boek dan eerder Joe Speedboot en Caesarion. Het is ernstig van toon, behoorlijk somber en wat afstandelijk. Hij maakt je niet echt deelgenoot van het verhaal.
De roman heeft twee verhaallijnen, ze spelen zich allebei af in een verre voormalige Sovjetrepubliek. De ene in de kleinburgerlijke en troosteloze stad Michailopol met als centrale persoon de politiecommissaris Pontus Beg. Omstandigheden brengen hem op het spoor van zijn mogelijk Joodse afkomst, dit fascineert hem bijzonder, verandert hem en leidt tot een persoonlijke zoektocht naar wie hij eigenlijk is.
Het andere verhaal gaat over een groep uitgehongerde vluchtelingen op zoek naar een beter leven. Chaotisch zwerven ze over de steppe, een niemandsland met een enkel verlaten dorp. Deze hoofdstukken deden me qua sfeer soms denken aan De weg van Cormac McCarthy. Zoals de hopeloosheid, de verlatenheid van het landschap. Deze groep wordt aangeduid met namen als: de lange man, de Ethiopiër,de stroper,de jongen, wat een zekere afstand geeft.
Ook deze groep volgt een bepaald, noem het maar mythisch, geloof. 'Ze hebben een hoofd bij zich zoals de Joden drieduizend jaar geleden het gebeente van Jozef met zich hadden meegedragen’. Bij aankomst in Michailopol levert dit hen grote problemen op waardoor Pontus zich met hen moet bemoeien. De bevolking van de stad omschrijft de groep als uitziend zoals “de Joden van het kamp”
Het is een tijdloos verhaal met een religieuze, bijna Bijbelse inslag. Wanneer beide verhalen bij elkaar komen, ontstaan er parallellen met de vlucht van de Joden uit de slavernij in Egypte. Onder leiding van Mozes door de woestijn op zoek naar het Beloofde land. Pontus’ leven is verbonden geraakt met de vluchtelingen en met de weg die ze hebben afgelegd.
'Elke voetstap van een Jood herinnerde aan de uittocht en voerde hem terug tot de geboorte van een volk in de woestijn…….De verhoren brachten de exodus op een geheimzinnige manier dichterbij voor Beg, de geschiedenis werd voor zijn ogen geprojecteerd – hij had soms zelfs het gevoel dat het verhaal van de vluchtelingen zich speciaal voor hem had afgespeeld”
Het slot is wel weer positief en lichtelijk hoopvol. De slotzin: “Hij stond daar met de zon van het beloofde land op zijn gezicht en staarde uit over het golvende gras in de verte, de gele zee.”
Wat ik me wel heel erg afvraag is hoe Wieringa in vredesnaam op dit onderwerp is gekomen???