Boeken
De Weg (2006) Van Cormac McCarthy
Romans
176 pagina's
Een man en zijn zoontje doorkruisen een verzengd Amerikaans landschap, bedekt met de as van een vergane wereld. De man kan zich de tijd ervoor nog herinneren, het jongetje kent alleen dit dode landschap. Het enige wat hun rest is te overleven, en zich vast te houden aan de kostbare brokstukken van hun eigen menselijkheid. Ze zijn alles voor elkaar. Een gruwelijk mooi en wanhopig boek, dat doortrokken is van tederheid en verbeten vertrouwen. De weg is een bespiegeling over de dunne scheidslijn tussen beschaving en woestenij, en over de alomvattende en soms beangstigende liefde die een kind voor zijn ouders voelt. Een warmbloedig en ijzingwekkend meesterwerk.
Uitgever: De ArbeiderspersISBN: 9789029564380
Toegevoegd door wilko
Stem hier:
4,29 / 14 stemmen
4,29 / 14 stemmen
Reacties
Flimflim,
4 / 5

5 / 5

Liefde, overleven, wanhoop en hoop. Magistraal.
Hallo, papa, zei hij.
Ik ben hier vlak bij je.
Weet ik
5 / 5

Nu, bij de tweede poging bleef het natuurlijk deprimerend maar maakte het desondanks een verpletterende indruk en greep het me totaal bij de keel.
Wat er gebeurd is waardoor de wereld kaal, grijs en grauw is geworden, daar kom je niet achter. Wel dat het al vele jaren geleden is. De vader denkt op een nacht: ‘Op deze weg zijn er geen godvruchtigen. Ze zijn verdwenen, ik ben alleen achtergelaten en ze hebben de wereld meegenomen’.
De gesprekken tussen vader en zoon, hoe wanhopig en triest ook, zijn van een ontroerende schoonheid. De vader altijd op zoek naar iets eetbaars, naar water, kleding, dekens en het jongetje, angstig maar altijd bereid om de enkele andere levende wezens die ze zien, te helpen.
‘Ik maak me zorgen over dat jongetje.
Weet ik. Maar het komt wel goed met hem.
We moeten hem gaan halen, papa. We zouden hem kunnen gaan halen en met ons mee laten gaan. We zouden hem kunnen meenemen en die hond ook. Die hond zou iets te eten kunnen vangen.
Dat kunnen we niet doen.
Dan geef ik dat jongetje de helft van mijn eten.
Hou op. Dat kunnen we niet doen.
Hij huilde weer. Hoe moet het nou met dat jongetje? Snikte hij. Hoe moet het nou met dat kleine jongetje?’
Uiteindelijk bleek gelukkig niet het hele boek alleen maar grijs en grauw en zie je vader en zoon ook genieten van het eten van morieljes, van een blik peren, een huis met een compleet ingerichte schuilkelder, een kopje koffie, een bad wat ze in een verlaten huis vinden en naast het huis een waterput. Je krijgt enorme bewondering voor hun inventiviteit. En enorme bewondering voor hoe de vader met zijn zoontje omgaat. Beschermend, eerlijk, moedig en altijd proberend positief te blijven.
‘Er zijn nog meer goede mensen. Dat heb jij gezegd.
Ja
Waar zijn die dan?
Ze verschuilen zich.
Voor wie verschuilen ze zich?
Voor elkaar.
Zijn het er veel?
Dat weten we niet.
Maar ze zijn er wel.
Ze zijn er wel. Ja
Is dat waar?
Ja Dat is waar.
Maar het zou ook niet waar kunnen zijn.
Ik denk dat het waar is.
Oké.
Je gelooft me niet.
Ik geloof je wel
Oké.
Ik geloof je altijd.
Volgens mij niet.
Jawel. Wel waar. Ik moet wel'
4 / 5

Of je je met dat overlevende zijn dus zo gelukkig mag prijzen wordt herhaaldelijk in twijfel getrokken door de naamloze hoofdpersonen (vader en zoon). Zo roept de vader een keer wanhopig naar God: "Hebt u een nek waaraan ik u kan ophangen?"
De band tussen vader en zoon is wel bijzonder mooi, mede vanwege de barre omstandigheden.
5 / 5

